Auteursrecht en parodie: de zaak Van Giel t. Tuymans

Over het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 15 januari 2015 waarbij Luc Tuymans werd veroordeeld voor het “naschilderen” van een foto van fotografe Katrijn Van Giel is al veel inkt gevloeid.[1] Dit artikel probeert een juridische analyse te geven van deze zaak in het licht van het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HJEU”) Deckmyn t. Vandersteen over de “parodie” als uitzondering op het auteursrecht. [2]

 

Dit artikel verscheen in een gewijzigde vorm in het juridisch tijdschrift Auteurs & Media 2015/2, onder de titel “Over auteursrecht, parodie en appropriation art: een voorlopige analyse van het vonnis Van Giel t. Tuymans in het licht van het HJEU arrest Deckmyn t. Vandersteen”.

 

Deze discussie kadert in een bredere discussie rond “appropriation art” en andere hedendaagse kunstvormen. In de praktijk worstelen veel kunstenaars en fotografen met de vraag in welke mate een kunstenaar (bijvoorbeeld een schilder) zich kan baseren op een bestaand werk (bijvoorbeeld een foto) om een nieuw kunstwerk te scheppen. Op dat bestaand werk is namelijk bijna steeds auteursrecht van toepassing.

 

De feiten en argumenten in de zaak Van Giel t. Tuymans

 

Van Giel t. Tuymans auteursrecht
Bovenaan de foto van Van Giel, onderaan het schilderij van Tuymans

Een korte schets van de feiten in de zaak Van Giel t. Tuymans gaat als volgt. Fotografe Katrijn Van Giel maakte een foto van de politicus Jean-Marie Dedecker, op de avond dat deze een zware verkiezingsnederlaag leed. Luc Tuymans maakte op basis van deze foto een schilderij dat hij de titel meegaf “A Belgian Politician”. Katrijn Van Giel vond dat Luc Tuymans hierdoor een inbreuk beging op haar auteursrechten. Zij vorderde een stopzetting van de inbreuk op verbeurte van een dwangsom van 500.000 euro per inbreuk.

 

Luc Tuymans erkende dat de foto van Van Giel zijn inspiratiebron was geweest om het schilderij te maken, maar vond dat het schilderij een parodie was en dus geen inbreuk vormde op de auteursrechten van de fotografe. Een “parodie” is immers een wettelijk voorziene uitzondering op het auteursrecht.[3] Tuymans vond dat zijn schilderij als een apart kunstwerk moet beschouwd worden (dat aan de foto van Van Giel een nieuwe status of dimensie geeft), en dus veel meer is dan een loutere reproductie van de foto. Tuymans stelde tijdens de procedure voor de Rechtbank van Eerste Aanleg uitdrukkelijk dat zijn schilderkunst kadert binnen de “appropriation art”.[4]

Enkele basisregels van het Belgische auteursrecht

 

Het Belgische auteursrecht stelt duidelijk dat enkel de auteur van een werk (dus ook Van Giel als auteur van de foto) het recht heeft om zijn of haar werk te reproduceren, en dat de auteur een onvervreemdbaar moreel recht heeft op zijn of haar werk.[5] Dit betekent dus dat Luc Tuymans in principe toestemming had moeten vragen aan Katrijn Van Giel alvorens haar foto te reproduceren, én dat hij sowieso ook haar naam had moeten vermelden bij de reproductie (tenminste, als het schilderij van Tuymans een “reproductie” is van de foto van Van Giel, en niet onder een uitzondering op het auteursrecht valt – zoals de parodie-uitzondering – waarover verder meer).

 

De discussie ging hier niet over de vraag of de foto van Katrijn Van Giel al dan niet auteursrechtelijk beschermd was. Dat deze foto bescherming geniet onder het auteursrecht lijkt evident. Het gaat immers om een originele en oorspronkelijke foto, meer dan een banale “persfoto” (al zijn m.i. persfoto’s gewoonlijk ook beschermd door het auteursrecht). De fotografe heeft immers duidelijke creatieve keuzes gemaakt bij het nemen van de foto (zoals bijvoorbeeld een zeer specifieke kadrering, belichting, enscenering, enz.), zodat haar foto voldoende origineel is om beschermd te zijn door het auteursrecht. Dit werd blijkbaar ook niet betwist door Luc Tuymans.

 

Parodie als een uitzondering op het auteursrecht

 

Het auteursrecht bepaalt dat er bepaalde uitzonderingsgevallen zijn waar gebruikers van een auteursrechtelijk beschermd werk géén toestemming moeten vragen aan de auteur (of aan een andere houder van het auteursrecht) om het werk te mogen reproduceren of mee te delen aan het publiek.

 

Parodie is één van die wettelijk voorziene uitzonderingen op het auteursrecht. Artikel XI.190, 10e van het Belgische Wetboek Economisch Recht (“W.E.R.”) bepaalt inderdaad dat de auteur van een door het auteursrecht beschermd werk zich niet kan verzetten tegen “een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken”.[6]

 

De vraag is dan of het schilderij van Luc Tuymans juridisch gezien kan beschouwd worden als een “parodie”, wat dan meteen zou betekenen dat het schilderij geen inbreuk zou maken op de auteursrechten van Katrijn Van Giel.

 

Het arrest “Deckmyn t. Vandersteen”[7]

 

In de praktijk was het in het Belgische recht lange tijd nogal onduidelijk aan welke voorwaarden een werk moet voldoen om als een “parodie” beschouwd te worden en dus geen auteursrechtelijke inbreuk te zijn op een eerder werk.[8]

 

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HJEU”) heeft onlangs in haar zogenaamde “Deckmyn” arrest – ook wel het “Suske en Wiske” arrest genoemd – meer duidelijkheid gegeven in dit verband (zie HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13).[9]

Deckmyn t. Vandersteen parodie auteursrecht
Links de strip van Vandersteen, rechts de “parodie” van Deckmyn en Vrijheidsfonds

 

In dit arrest oordeelde het HJEU dat er (slechts) twee essentiële kenmerken zijn van een “parodie”, namelijk ten eerste dat er een nabootsing is van een bestaand werk waarbij er duidelijke verschillen moeten zijn met het bestaande werk, en ten tweede dat aan humor wordt gedaan of spot wordt gedreven.[10]

 

“Artikel 5, lid 3, sub k, van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat de wezenlijke kenmerken van de parodie erin bestaan dat, enerzijds, een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk en, anderzijds, aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven.”[11]

 

Het HJEU verduidelijkte nog dat het niet relevant is of de parodie al dan niet een ander eigen oorspronkelijk karakter (originaliteit) heeft. Het volstaat in dit verband dat de parodie duidelijke verschillen vertoont met het oorspronkelijke werk. Ook niet vereist is dat de parodie redelijkerwijze niet aan de auteur van het oorspronkelijke werk kan worden toegeschreven. Evenmin is het een voorwaarde dat de parodie betrekking heeft op het oorspronkelijke werk zelf (de parodie kan dus betrekking hebben op iets of iemand anders dan het oorspronkelijke werk), of dat de bron van het geparodieerde werk vermeld zou worden.[12]

 

“Het begrip „parodie” in de zin van deze bepaling dient niet te voldoen aan zodanige voorwaarden dat de parodie een ander eigen oorspronkelijk karakter vertoont dan louter duidelijke verschillen met het geparodieerde oorspronkelijke werk, redelijkerwijze aan een andere persoon dan de auteur van het oorspronkelijke werk zelf kan worden toegeschreven, betrekking heeft op het oorspronkelijke werk zelf of de bron van het geparodieerde werk vermeldt.” [13]

 

Het HJEU stelt dus dat er sprake is van een “parodie” – en dus geen inbreuk op het auteursrecht – (i) als het parodiërende werk een nabootsing is van een bestaand werk met duidelijke verschillen met dat bestaande werk én (ii) als het parodiërende werk aan humor of spot doet (wat dat laatste ook mag betekenen). Het HJEU verruimt hierdoor de parodie-exceptie zoals we die tot nu toe kenden in het Belgische recht. De Belgische rechtbanken voegden immers traditioneel allerlei voorwaarden toe zoals bijvoorbeeld de voorwaarden dat het parodiërende werk zelf voldoende origineel moest zijn; dat het parodiërende werk geen verwarring mocht stichten met het geparodieerde werk; dat het parodiërende werk de draak moest steken met het geparodieerde werk zelf; enz. Deze bijkomende voorwaarden worden door het HJEU als irrelevant afgewezen.

 

Het lijkt alvast dat de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen onvoldoende rekening hield met het “Deckmyn” arrest van het HJEU. De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg stelde in het “Van Giel t. Tuymans” vonnis volgende voorwaarden voor een parodie: “De parodie moet onbetwistbaar voorhanden zijn, het moet gaan om een vervormde weergave van het oorspronkelijk werk en valt onder meer af te leiden uit de manier waarop het originele werk bijvoorbeeld als spotprent wordt gebruikt of waar de elementen die herkenbaar zijn voor het oorspronkelijke werk op treffende ludieke of humoristische wijze worden uitvergroot dan wel totaal vertekend worden weergegeven en waaruit hoedanook duidelijk moet blijken dat het enige doel de spot, parodie of sarcasme is.”[14]

 

Dit is een hele mond vol. Het is nogal onduidelijk wat de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg precies bedoelt met elk van de opgesomde voorwaarden. Wel is duidelijk dat deze voorwaarden niet in overeenstemming zijn met de recente rechtspraak van het HJEU. De voorwaarden dat de parodie “onbetwistbaar voorhanden” moet zijn en dat “hoedanook duidelijk moet blijken dat het enige doel de spot, parodie of sarcasme is” lijken moeilijk overeen te stemmen met het open criterium van het HJEU dat aan humor moet worden gedaan of de spot moet worden gedreven (dit kan m.i. ook subtiel gebeuren). Fundamenteler is dat de voorwaarde dat het moet gaan om “een vervormde weergave van het oorspronkelijke werk” duidelijk in strijd is met het “Deckmyn arrest van het HJEU. Uit het arrest van het HJEU blijkt immers dat de parodie niet noodzakelijkerwijze betrekking moet hebben op het oorspronkelijke werk (en dat een kunstenaar dus een auteursrechtelijk beschermd werk kan gebruiken voor een parodie die geen verband houdt met dat werk maar met iets externs).

 

Als men de criteria van het “Deckmyn” arrest van het HJEU in aanmerking neemt voor de zaak Van Giel t. Tuymans, moet men dus nagaan (1) of het schilderij van Tuymans een nabootsing is van de foto van Van Giel, evenwel met duidelijke verschillen met dat bestaande werk; en (2) of het schilderij van Tuymans aan humor of spot doet.

 

Eerste criterium voor parodie: nabootsing van een bestaand werk met duidelijke verschillen

 

Het eerste criterium valt eigenlijk uiteen in twee sub-criteria. De rechter moet eerst nagaan of het schilderij een nabootsing is van de foto (dit lijkt evident), en vervolgens of er “duidelijke verschillen” zijn tussen beiden werken.

 

De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen oordeelt in het vonnis van 15 januari 2015 dat in het schilderij van Luc Tuymans meerdere duidelijke elementen van de foto werden overgenomen. De Voorzitter vermeldt letterlijk dat Luc Tuymans “duidelijk elementen heeft overgenomen die de originaliteit van de foto uitmaken waaronder het onvolledige beeld, de positie, het camerastandpunt, de belichting, enscenering en kadrering”.[15] De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg vermeldt ook: “In het schilderij zijn meerdere markante elementen van de foto overgenomen, onder meer dezelfde opvallende uitsnede en hetzelfde zwetende voorhoofd.”[16] De Voorzitter vervolgt: “De onderkant van het gezicht is in het schilderij eveneens weggelaten, de uitdrukking van het gezicht, het zwetende hoofd en de pose zijn allemaal overgenomen in het schilderij. Het schilderij van verwerende partij is niet meer noch minder dan de overname van de persfoto van eisende partij.”[17] Verder verwijst de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg naar de opstelling, de kadrering en de belichting die “volledig gelijklopend” zijn tussen beide werken, en naar “opvallende gelijkenissen die niet voor discussie vatbaar zijn”.[18]

 

Tuymans had nochtans geargumenteerd dat zijn schilderij een eigen origineel kunstwerk was (een voorwaarde die volgens het “Deckmyn” arrest niet noodzakelijk is voor een parodie), dat duidelijk verschillen vertoont met de foto van Van Giel (een voorwaarde die wél relevant is volgens het “Deckmyn” arrest). Tuymans verwees in dit verband onder meer naar de achtergrond van zijn schilderij, die niet zwart is zoals de achtergrond van de foto, naar de andere kleurschakering en naar het verschillend formaat van beide werken.[19] Tuymans argumenteerde nog dat hij een “beeldend commentaar formuleert op het beeld als communicerend fenomeen zoals hij het in de krant heeft gevonden”.[20]

 

De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg was het hier niet mee eens. De Voorzitter vond dat het schilderij duidelijk elementen overnam die de originaliteit van de foto uitmaakten (zie hierboven). Men kan zich afvragen of de rechter al dan niet vond dat er onvoldoende “duidelijke verschillen” waren tussen het schilderij en de foto. De Voorzitter concentreert zich immers op de gelijkenissen tussen de werken, niet op de verschillen (al is dit laatste criterium wel het criterium dat het HJEU oplegt en lijkt het evident dat een parodie duidelijke of markante gelijkenissen vertoont met het geparodieerde werk).[21] De Voorzitter ging niet in op het argument van Tuymans dat beide werken een ander formaat hebben (dit lijkt mij op het eerste zicht ook een weinig overtuigend argument). De Voorzitter gaf toe dat de achtergrond van het schilderij inderdaad niet zwart was zoals de achtergrond van de foto, maar vond dat dit geen afbreuk deed aan de opvallende gelijkenissen die “niet voor discussie vatbaar zijn.”, en zonder verder in te gaan op de mogelijke verschillen tussen beide werken.[22] De toevoeging dat de gelijkenissen niet voor discussie vatbaar zijn, lijkt mij trouwens overdreven. Deze zaak lijkt juist een typisch geval waar een kunstenaar zich baseert op een bestaand werk, bepaalde kenmerken overneemt en andere niet, en vervolgens zijn of haar eigen typische kenmerken toevoegt. Voor de rechtbank is het dan vaak moeilijk om een correcte inschatting te maken omtrent de verschillen en gelijkenissen en een oordeel te vellen.

 

Tweede criterium voor parodie: humor of spot

 

Wat het tweede criterium betreft, moet de rechter blijkbaar checken of het schilderij “humor” of “spot” bevat. De tweede test lijkt een zeer open test die wel zeer veel verantwoordelijkheid op de schouders van de rechter legt. Hoe kan men immers van een rechter verwachten dat hij of zij voldoende humor of spot herkent in een (kunst)werk? Is het daarbij maatschappelijk aangewezen dat deze test aan een rechtbank overgelaten wordt? Bepaalde auteurs zijn dan ook van mening dit criterium een weinig praktisch (en dus in realiteit ook weinig doorslaggevend) criterium is, en dat het eerste criterium eigenlijk het voornaamste criterium is bij de beoordeling van een parodie.[23] Ik sluit mij daarbij aan, met dien verstande dat er m.i. wel degelijk een bepaalde benedengrens moet zijn aan de hoeveelheid humor of spot, en dat moet vermeden worden dat de parodie-exceptie misbruikt wordt voor inbreuken die in se niet voor parodie in aanmerking komen.

 

Die humor of spot dienen in ieder geval niet beperkt te blijven tot humor of spot met betrekking tot het oorspronkelijke werk (in casu de foto van Van Giel), maar kan dus breder opgevat worden (bijvoorbeeld ook humor of spot ten opzichte van de afgebeelde politicus of ten opzichte van bepaalde maatschappelijke normen of waarden; Tuymans stelde in de procedure in eerste aanleg dat hij met zijn kunstwerk de “deliquescence van de Belgische politiek” wou laten zien[24]).

 

Luc Tuymans vond blijkbaar dat de parodie vooral lag in de titel die hij aan het schilderij gaf (“A Belgian Politician”) en in de “verdubbeling van de werkelijkheid” die hij met zijn schilderij creëerde.[25] De titels van zijn werken zijn, aldus de schilder, bepalend voor zijn werken en maken zijn schilderijen tot een conceptueel geheel. Om de finesses van de argumentatie van Luc Tuymans te kennen moet men wellicht de volledige conclusies lezen die de partijen hebben neergelegd. Bovenvermelde argumenten zijn parafraseringen die de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg in het vonnis opnam.

 

De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen ging nogal losjes over Tuymans’ argumenten: “Uit geen enkel element van het werk blijkt dat de foto van eisende partij clownesk, dan wel geparodieerd noch op een sardonische wijze is overgenomen en als parodie van het originele werk onder de uitzondering voorzien in art. 22 6§ van de Auteurswet zou vallen.”[26] Zoals hierboven uiteengezet is het sinds het “Deckmyn” arrest niet (langer) vereist dat het oorspronkelijke werk zelf geparodieerd zou worden. Ook wordt niet vereist dat het parodiërende werk “clowneske” of “sardonische” kenmerken zou moeten hebben, zodat de opmerkingen van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg in dit verband misplaatst zijn.

 

Bij de invulling van het tweede criterium moet de rechter volgens mij voldoende rekening houden met de nood aan een correct evenwicht tussen enerzijds het auteursrecht en anderzijds de vrijheid van meningsuiting (inclusief artistieke uitingsvrijheid). In haar “Deckmyn” arrest vermeldde het HJEU immers uitdrukkelijk dat de toepassing van de parodie-uitzondering in een concreet geval een “rechtvaardig evenwicht” in acht moet nemen tussen enerzijds de belangen en de rechten van auteurs (en andere houders van het auteursrecht) en anderzijds de “vrije meningsuiting van de gebruiker van een beschermd werk die zich beroept op de beperking ten aanzien van de parodie in de zin van dat artikel 5, lid 3, sub k”.[27] Om na te gaan of de parodie-uitzondering dit rechtvaardige evenwicht in acht neemt tussen auteurs en gebruikers van auteursrechtelijk beschermd materiaal, moet de rechter, aldus het HJEU, “met alle omstandigheden van de zaak” rekening houden.[28] Het gaat met andere woorden steeds om een “case-by-case” analyse, die rekening houdt met de concrete feitelijke elementen van elke zaak.

 

Het is maar zeer de vraag of de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg deze evenwichtsoefening voldoende heeft gemaakt. Bij het lezen van het vonnis blijft men in dit verband nogal op zijn honger zitten. De vraag in hoeverre een kunstenaar in zijn of haar artistieke uitingsvrijheid begrensd is door bestaande werken van andere kunstenaars is nochtans een fundamentele vraag. Het lijkt evident dat kunst in dialoog staat met reeds bestaande kunst, en dat het auteursrecht voor een correct evenwicht moet zorgen tussen de auteursrechtelijke belangen van de eerste kunstenaar (in casu Katrijn Van Giel) en de artistieke vrijheid van de tweede kunstenaar (in casu Luc Tuymans). Zoals het HJEU in haar “Deckmyn” arrest terecht opmerkte, hangt deze evenwichtsoefening af van de concrete elementen van elke zaak. Ik kijk in ieder geval uit naar een uitgebreidere analyses van deze problematiek in de procedure in hoger beroep (Luc Tuymans tekende intussen hoger beroep aan tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg).

 

De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen besloot dat het schilderij van Luc Tuymans “vanuit geen enkele invalshoek als parodie (kan) weerhouden worden[29], en dat Luc Tuymans te kwader trouw[30] inbreuk had gepleegd op het auteursrecht van Katrijn Van Giel. De Voorzitter van de Rechtbank beval Tuymans tenslotte om zijn “te kwader trouw gepleegde inbreuk” stop te zetten onder verbeurte van een dwangsom van 500.000 euro per overtreding.

 

Het stakingsbevel en de dwangsom werden m.i. nogal lichtzinnig opgelegd en weinig precies geformuleerd. De Voorzitter vermeldt eerst dat Tuymans door de reproductie van de foto in zijn schilderij te kwader trouw inbreuk heeft gepleegd op de auteursrechten van Van Giel, en beveelt Tuymans vervolgens om “deze te kwader trouw gepleegde inbreuk te staken onder verbeurte van een dwangsom van 500.000 € per overtreding van het verbod.”[31] Nu is het zo dat die inbreuk reeds heeft plaatsgevonden (en in principe niet herhaald wordt, tenzij Tuymans hetzelfde schilderij opnieuw zou maken), en dus moeilijk kan worden “gestaakt”. Indien de Voorzitter met de dwangsom wou bekomen dat Tuymans geen reproducties van het schilderij publiek mag maken (bijvoorbeeld: geen reproducties in catalogi, tentoonstellingen of overzichtswerken), dan had de Voorzitter dit beter duidelijk zo gesteld (zeker gelet op de hoge dwangsom). Dit zou trouwens een té grote inperking zijn van de expressievrijheid van Tuymans, aangezien veel minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren, zoals een verplichte naamsvermelding van Katrijn Van Giel als auteur van de foto waarop het schilderij gebaseerd is of een verplichte billijke vergoeding.[32] De Voorzitter liet dus het proportionaliteitsbeginsel onvoldoende spelen bij de oplegging van het stakingsbevel en de dwangsom, hetgeen neerkomt op een schending van artikel 10 EVRM.

 

 

Conclusie i.v.m. auteursrecht en parodie:

 

In de praktijk is het vaak moeilijk om een correcte afweging te maken tussen enerzijds de belangen van auteurs (en andere auteursrechthebbers) en anderzijds de belangen van andere kunstenaars die bestaande werken gebruiken voor de creatie van nieuwe werken.

 

Dirk Voorhoof merkt in dit verband in De Juristenkrant terecht op dat in gevallen waar auteursrechtelijke bescherming botst met (artistieke) expressievrijheid, het proportionaliteitsbeginsel zijn rol moet spelen, in die zin dat gezocht moet worden naar maatregelen die zo min mogelijk de expressievrijheid inperken.[33]

 

Men kan zich echter afvragen of het HJEU met haar “Deckmyn” arrest voldoende houvast heeft gegeven om deze evenwichtsoefening in de praktijk mogelijk te maken. Ongetwijfeld zal het HJEU in de komende jaren opnieuw gevraagd worden om het begrip “parodie” te verduidelijken zodat het “Deckmyn” arrest hoogstwaarschijnlijk niet het einde van een jurisprudentiële evolutie van de parodie-uitzondering inhoudt.

 

De zaak “Van Giel t. Tuymans” in eerste aanleg lijkt mij een typisch geval waar een rechtbank onvoldoende rekening houdt met de evoluties van het recht op Europees niveau. De vraag blijft daarbij open of een nieuwe interpretatie van de feiten en het recht op het niveau van hoger beroep – zelfs indien deze wél voldoende rekening zou houden met de recente rechtspraak van het HJEU – een andere uitslag voor de betrokken partijen zal teweeg brengen. Dat is verre van zeker. Daarvoor valt het af te wachten of het Hof van Beroep zal oordelen of er voldoende “duidelijke verschillen” aanwezig zijn tussen het schilderij van Tuymans en de foto van Van Giel. Zoals reeds gezegd concentreerde de eerste rechter zich bijna uitsluitend op de aanwezigheid van “duidelijke gelijkenissen” tussen beide werken, waar eigenlijk de aan- of afwezigheid van “duidelijke verschillen” het relevante criterium zou moeten zijn. Ook valt af te wachten of het Hof van Beroep zal oordelen of er sprake is van een minimale hoeveelheid humor of spot, rekening houdend met het noodzakelijke evenwicht tussen de rechten en belangen van de eerste auteur/kunstenaar en die van de tweede auteur/kunstenaar.

 

Om een dergelijke evenwichtsoefening correct te maken mag gehoopt worden dat het Hof van Beroep zich kan baseren op het originele schilderij van Tuymans en geen genoegen moet nemen met een reproductie van dat schilderij (waarbij ongetwijfeld vele waardevolle artistieke elementen verloren gaan). Aangezien het werk momenteel deel uitmaakt van een privécollectie, lijkt dit echter weinig waarschijnlijk.

 

Bart Van Besien

Advocaat

bart@finnian.be

Kantoor Finnian & Columba

 

[1] Het betrof een procedure zoals in kortgeding voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen (vonnis van 15 januari 2015, voorlopig onuitgegeven). Voor een eerste bespreking van dit vonnis, zie Alexis Fierens en Raf Schoefs, “Ook Luc Tuymans moet auteursrechten respecteren”, in De Juristenkrant, nr. 302, 15 januari 2015, 2; voor een verdere bespreking (en een kritiek op deze eerste bespreking en op het vonnis zelf), zie Dirk Voorhoof, “Veel valse noten in Tuymans-vonnis”, in De Juristenkrant, nr. 303, 11 februari 2015, 11. Dit vonnis kwam ook uitgebreid aan bod in nieuwsmedia, zowel in binnen- als buitenland (zie bijvoorbeeld in The Guardian, De Standaard, De MorgenArtnet, en Hart Magazine).

[2] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13.

[3] Zie artikel XI.190, 10e Wetboek Economisch Recht. Dit is het vroegere artikel 22 §1 6e van de Belgische Auteurswet van 30 juni 1994. Dit artikel luidt: “Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen: (…) 10° een karikatuur, een parodie of een pastische, rekening houdend met de eerlijke gebruiken”.

[4] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015 (voorlopig onuitgegeven), punt 2.

[5] Zie artikel XI.165, §1 van het Wetboek Economisch Recht: “Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren. (…)”. Zie ook artikel XI.165, §2 van het Wetboek Economisch Recht: “De auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft op dat werk een onvervreemdbaar moreel recht. (…) De auteur heeft het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren. Hij heeft het recht op eerbied voor zijn werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging ervan. (…)”

[6] Ex-artikel 22 §1 6e van de Belgische Auteurswet van 1994. Zie ook artikel 5, 2° k) van de Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001, die de Europese lidstaten expliciet de mogelijkheid geeft om uitzonderingen op het auteursrecht te voorzien, o.a. voor parodieën: De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van: (…) het gebruik voor karikaturen, parodieën of pastiches”.

[7] Voor een uitgebreide analyse van dit arrest, zie o.a. Dirk Voorhoof, “De parodie-exceptie als geharmoniseerd EU-concept: op zoek naar een rechtvaardig evenwicht tussen auteursrecht en expressievrijheid”, AMI – Tijdschrift voor Auteurs-, Media- en Informatierecht, 2014/6, 179-185; Dirk Voorhoof, “Hof van Justitie rekt parodiebegrip op”, De Juristenkrant, 2014, nr. 294, 24 september 2014, 3; en Eleonora Rosatie, “CJEU rules on notion of parody (but it will not be funny for national courts)”, Journal of Intellectual Property Law & Practice, 10 februari 2015, 80-82.

[8] Voor een grondige bespreking, zie o.a. Dirk Voorhoof, “La liberté d’expression est-elle un argument légitime en faveur du non-respect du droit d’auteur? La parodie en tant que métaphore”, in A. Strowel and F. Tulkens (ed.), Droit d’auteur et liberté d’expression. Regards francophones, d’Europe et d’ailleurs, Brussels, Larcier, 2006, 39-69; en Dirk Voorhoof, “Parodie, kunstexpressievrijheid en auteursrecht”, Auteurs & Media 2008/1, 27-36.

[9] Dit arrest betrof een prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. In deze procedure stonden de erfgenamen van Willy Vandersteen en WPG Uitgevers tegenover Vlaams Belang parlementslid Johan Deckmyn (als verantwoordelijke uitgever) en de VZW Vrijheidsfonds (een VZW gelinkt aan het Vlaams Belang). Vlaams Belang had namelijk kalenders gepubliceerd met op de voorkant de Gentse burgemeester die muntstukken rondstrooit naar gesluierde en gekleurde figuren die deze munten gretig oprapen. De erfgenamen van Vandersteen vonden dat dit een auteursrechtinbreuk was op het Suske en Wiske stripverhaal “De Wilde Weldoener” (in realiteit wilden ze waarschijnlijk vooral niet gelinkt worden met de discriminerende boodschap die uitging van de kalender). In eerste aanleg werden Deckmyn en Vrijheidsfonds effectief veroordeeld voor auteursrechtinbreuk. In hoger beroep wou het Hof van Beroep te Brussel eerst meer duidelijkheid bekomen van het HJEU omtrent de exacte notie van het concept “parodie” (reden waarom de prejudiciële vraag dus gesteld werd).

[10] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13, randnummers 20, 33 en 36.

[11] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13, randnummer 36.

[12] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13, randnummers 21, 33 en 36.

[13] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13, randnummer 36.

[14] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 3.

[15] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 3.

[16] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 2.

[17] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 3.

[18] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 4.

[19] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 2.

[20] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 3.

[21] In die zin ook Dirk Voorhoof, “Veel valse noten in Tuymans-vonnis”, in De Juristenkrant, nr. 303, 11 februari 2015, 11.

[22] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 4.

[23] Zie in het bijzonder Dirk Voorhoof, “De parodie-exceptie als geharmoniseerd EU-concept: op zoek naar een rechtvaardig evenwicht tussen auteursrecht en expressievrijheid”, AMI – Tijdschrift voor Auteurs-, Media- en Informatierecht, 2014/6, 179-185.

[24] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 2. Ter informatie: “deliquescence” is een term uit de chemie waarbij een stof oplost of vloeibaar wordt door vocht uit de atmosfeer te absorberen.

[25] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 2 en 3.

[26] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 3 (de rechtbank gebruikt blijkbaar nog de oude artikelnummering).

[27] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13, randnummer 27. Het HJEU verwijst hier onder meer naar punt 31 van de considerans van richtlijn 2001/29/EG (“Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. (…)” Het HJEU verwees ook naar haar eerdere rechtspraak in dit verband, in het bijzonder naar de arresten Padawan (HJEU, Padawan t. SGAE, 21 oktober 2010, C-467/08, randnummer 43) en Painer (HJEU, Painer t. Standard Verlags e.a., 1 december 2011, C-145/10, randnummer 132).

[28] HJEU, Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13, randnummer 28.

[29] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 5.

[30] De Voorzitter vond dat Tuymans “te kwader trouw is opgetreden temeer daar hij zelf in tempore non suspecto verklaarde dat de foto van eisende partij een sterk beeld is waar hij niet zo veel aan moest veranderen.” (Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 5). Ook op dit punt lijkt het vonnis mij zeer voor discussie vatbaar (men zou mogen verwachten dat een rechterlijke uitspraak dat kwade trouw in het spel is beter gemotiveerd en onderbouwd zou worden).

[31] Voorzitter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, 15 januari 2015, punt 7.

[32] In die zin ook Dirk Voorhoof, “Veel valse noten in Tuymans-vonnis”, in De Juristenkrant, nr. 303, 11 februari 2015, 11.

[33] Dirk Voorhoof, “Veel valse noten in Tuymans-vonnis”, in De Juristenkrant, nr. 303, 11 februari 2015, 11.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *