Proceskosten intellectuele eigendom: de verliezer betaalt

Proceskosten IE zaken: Het Hof van Justitie oordeelde dat bij procedures over intellectuele eigendom (auteursrecht, merken, octrooien) minstens “een significant en passend deel van de redelijke kosten” van de winnende partij door de verliezende partij moet worden betaald. Dit betekent concreet dat de verliezende partij opdraait voor de advocatenkosten van de winnende partij in procedures rond intellectuele eigendom, indien deze redelijk zijn. De Belgische “rechtsplegingsvergoedingen” moeten dus een redelijke vergoeding van advocatenkosten garanderen (en dat doen ze op dit moment vaak niet, omdat ze slechts een fractie van de erelonen vergoeden).

 

EU-recht: de verliezer betaalt redelijke en evenredige proceskosten

 

Artikel 14 van de zogenaamde Handhavingsrichtlijn 2004/48 inzake intellectuele eigendomsrechten bepaalt i.v.m. gerechtskosten:

 

„De lidstaten dragen er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.”

 

Belgische wet: forfaitaire rechtsplegingsvergoedingen

 

De Belgische wet voorziet in een systeem van forfaitaire vergoedingen voor advocatenkosten. Dit komt erop neer dat de partij die een gerechtelijke procedure wint een vast bedrag krijgt van de verliezende partij als compensatie voor advocatenkosten. Dit zijn de zogenaamde “rechtsplegingsvergoedingen” (forfaitaire compensaties voor proceskosten en advocatenkosten opgelegd door de rechtbanken).

 

De maximale vergoedingen zijn in België zeer beperkt. Daardoor is de vergoeding in ingewikkelde procedures zoals rond auteursrecht, merkenrecht of octrooien vaak onvoldoende om de werkelijke advocatenkosten te dekken.

 

Arrest Hof van Justitie EU i.v.m. proceskosten intellectuele eigendom

 

Het Hof van Justitie van de EU oordeelde in een arrest van 28 juli 2016 dat een systeem van forfaitaire vergoedingsregelingen met té lage maximumbedragen in strijd is met het EU recht (namelijk met artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn).

 

Proceskosten: vergoeding niet lager dan gemiddelde erelonen advocaten

 

Het Hof van Justitie oordeelt in randnummer 26 dat forfaitaire vergoedingen voor advocatenkosten niet mogen uitdraaien op tarieven die aanzienlijk lager zijn dan de gemiddelde erelonen voor advocaten (wat met de Belgische rechtsplegingsvergoedingen vaak wél het geval is):

 

“Daarentegen wettigt het vereiste dat de verliezende partij de „redelijke” proceskosten draagt, niet dat in een lidstaat met het oog op uitvoering van artikel 14 van richtlijn 2004/48 een regeling wordt vastgesteld met forfaitaire tarieven die aanzienlijk lager zijn dan de gemiddelde tarieven die in de praktijk gelden voor de diensten van advocaten in die lidstaat.” (eigen onderlijning)

 

De voornaamste reden is volgens het Hof van Justitie dat inbreukprocedures voldoende “afschrikwekkend” moeten zijn zodat intellectuele eigendomsrechten effectief gerespecteerd worden. Het Hof van Justitie in randnummer 27 :

 

“Een dergelijke regeling zou immers onverenigbaar zijn met artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48, dat bepaalt dat de in die richtlijn bedoelde procedures en rechtsmiddelen afschrikkend moeten zijn. De afschrikkende werking van een inbreukprocedure zou aanzienlijk worden afgezwakt indien de inbreukmaker slechts kan worden verwezen in een klein deel van de redelijke advocaatkosten die de benadeelde houder van het intellectuele-eigendomsrecht heeft gemaakt. Een dergelijke regeling zou afbreuk doen aan de voornaamste doelstelling van richtlijn 2004/48, die erin bestaat een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen, zoals uitdrukkelijk vermeld in overweging 10 van deze richtlijn, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.” (eigen onderlijning)

 

Proceskosten: een significante en passende vergoeding van redelijke advocatenkosten

 

In principe moet minstens een “significant en passend deel” van de advocatenkosten of procedurekosten van de winnende partij vergoed worden door de verliezende partij, steeds voorzover die redelijk en werkelijk zijn. Het HJEU in randnummer 29:

 

“In de vierde plaats moet evenwel worden vastgesteld dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 bepaalt dat de proceskosten die de verliezende partij moet dragen, „evenredig” moeten zijn. De vraag of die kosten evenredig zijn, kan niet worden beoordeeld zonder acht te slaan op de kosten die de in het gelijk gestelde partij daadwerkelijk heeft gemaakt voor de bijstand van een advocaat, voor zover die redelijk zijn in de zin van punt 25 van dit arrest. Het evenredigheidsvereiste impliceert weliswaar niet dat de verliezende partij noodzakelijkerwijze alle kosten van de andere partij moet vergoeden, maar vergt wel dat de in het gelijk gestelde partij recht heeft op vergoeding van minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die zij daadwerkelijk heeft gemaakt.” (eigen onderlijning)

 

Rechtsplegingsvergoedingen onvoldoende garantie dat proceskosten vergoed worden in IE zaken

Een forfaitaire vergoeding voor erelonen van advocaten met maximumbedragen kan slechts door de beugel onder de dubbele voorwaarde dat (1) de forfaitaire tarieven de gebruikelijke erelonen van advocaten in intellectuele eigendomszaken weerspiegelen en (2) minstens een significant en passend deel van de redelijke en werkelijke kosten betaald worden door de verliezende partij. Het Hof van Justitie in randnummer 30:

 

“Een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, waarbij een absolute grens wordt vastgesteld voor de kosten die zijn verbonden aan de bijstand van een advocaat, moet dus in de eerste plaats waarborgen dat die grens de tarieven weerspiegelt die daadwerkelijk gelden voor de diensten van advocaten op het gebied van intellectuele eigendom, en in de tweede plaats dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die de in het gelijk gestelde partij daadwerkelijk heeft gemaakt, door de verliezende partij wordt gedragen. Met name wanneer de betrokken grens te laag is, kan een dergelijke regeling immers niet uitsluiten dat het bedrag van die kosten de vastgestelde grens ruimschoots overschrijdt, zodat de vergoeding waarop de in het gelijk gestelde partij aanspraak zou kunnen maken, onevenredig wordt en in voorkomend geval zelfs onbeduidend, wat artikel 14 van richtlijn 2004/48 zijn nuttig effect ontneemt.” (eigen onderlijning)

 

Het Hof van Justitie besluit in randnummer 32:

 

“Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan de verliezende partij in de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij wordt verwezen, die de rechter die deze verwijzing in de kosten moet uitspreken de mogelijkheid biedt om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de bij hem aanhangige zaak en die een systeem van forfaitaire tarieven behelst voor vergoeding van de kosten voor de bijstand van een advocaat, mits die tarieven waarborgen dat de kosten die de verliezende partij moet dragen, redelijk zijn, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan. Artikel 14 van deze richtlijn verzet zich echter tegen een nationale regeling met forfaitaire tarieven die, wegens te lage maximumbedragen, niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen.” (eigen onderlijning)

 

Proceskosten: vergoeding voor technisch raadsman (expert)

 

In randnummer 40 van het arrest besluit het Hof nog dat de kosten van een technisch raadgever (dus geen advocaat, maar bijvoorbeeld een expert die het bestaan van een inbreuk of de grootte van de schade onderzoekt) in principe ook door de verliezende partij moeten betaald worden zelfs al heeft de verliezende partij op zich geen “fout” begaan. Voorwaarde is wel dat die kosten een rechtstreeks verband houden met de vordering:

 

In die omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale voorschriften op grond waarvan de kosten van een technisch raadgever slechts worden vergoed in geval van een fout van de verliezende partij, voor zover die kosten rechtstreeks en nauw verbonden zijn met een vordering in rechte die ertoe strekt de eerbiediging van een intellectuele-eigendomsrecht te waarborgen.” (eigen onderlijning)

 

 

Besluit: een effectieve bescherming van IE rechten veronderstelt een adequate vergoeding voor proceskosten

 

Goed nieuws dus voor houders van auteursrechten, merken of octrooien. Als een gerechtelijke procedure moet gestart worden wegens inbreuk op intellectuele eigendomsrechten, zal de inbreukpleger een “significant deel” van de werkelijke proceskosten moeten betalen (erelonen van advocaten, experts, e.d.), steeds op voorwaarde dat deze redelijk zijn.

 

Als een advocaat gespecialiseerd in intellectuele eigendom vergelijkbare tarieven hanteert als zijn confraters, en geen onredelijke procedures aanspant, zal de inbreukpleger die het proces verliest de erelonen van de winnende partij moeten betalen.

 

De vergoeding voor proceskosten in IE zaken moet dus in verhouding staan tot de werkelijke redelijke kosten die gemaakt werden. In gevallen waar de Belgische rechtsplegingsvergoedingen te laag zijn en de werkelijke (redelijke) advocatenkosten niet dekken, zal de rechter deze opzij moeten schuiven. Dit zal vaak (bijna steeds) het geval zijn.

 

Dit is op zich een goede evolutie en garandeert een effectieve bescherming van intellectuele eigendomsrechten zoals auteursrecht, merken en octrooien. Wel dient opgelet te worden dat advocaten geen buitensporige kosten in rekening brengen of onnodige procedures aanspannen. Zolang de erelonen redelijk zijn (en vergelijkbaar met de gangbare erelonen in IE zaken) en zolang de advocaat zijn of haar deontologische principes hoog houdt, hoeft dit niet tot wantoestanden te leiden. Het valt overigens af te wachten of de Belgische wetgever een nieuwe regeling rond forfaitaire vergoedingen voor proceskosten zal uitdokteren.

 

Zie de volledige tekst van het arrest in de zaak C-57/15 van het HJEU, United Video Properties Inc. t. Telenet NV, van 28 juli 2016.

 

 

Bart Van Besien

Advocaat

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *